(Analyse)opmerking toevoegen     Embed Youtube-film     
Account aanvragen     Regels voor commentaar
Order last inserted          Toernooizaal
 20-07-2020  Hanco Elenbaas:
Ton Sijbrands, 26 mei 2001:

Ongeëvenaarde winstvoering

Ooit werd internationaal meester Jan Bom, de onlangs op 86-jarige leeftijd overleden oud-kampioen van Nederland (1941), door de redactie van een vaktijdschrift gevraagd een bijdrage te leveren in de serie 'Mijn meest gedenkwaardige partij'. Bom, die graag aan het verzoek voldeed, koos als onderwerp van zijn artikel een partij die hij in het seizoen 1939/1940 tegen Jac. Druijf jr. gespeeld had; de Volkskrant lezers hebben dit duel vorige week kunnen bewonderen.  

Toch is het niet de partij tegen Druijf waarmee Jan Bom in de damgeschiedenis zal voortleven. Nee - zijn meest aansprekende prestatie leverde Bom pas zo'n 27 jaar later, toen hij in de vijfde ronde van het Nederlands kampioenschap 1967 niemand minder dan Harm Wiersma, die op dat moment met 8 uit 4(!!) aan de leiding ging, een nederlaag toebracht.

Elke zichzelf respecterende dammer weet onmiddellijk waar ik het over heb. Want de ronduit schitterende manier waarop Bom in zijn favoriete speltype: het half-open klassiek, de omsingeling van Wiersma's centrum bekroonde, staat menigeen op het netvlies gegrift. En dat niet alleen: zelfs heden ten dage is Boms winstvoering nog altijd uniek!

Hoewel ik Wiersma-Bom 1967 wel vaker heb besproken, is het pas de afgelopen weken dat ik mij voor het eerst werkelijk in deze historische partij verdiept heb. Dat deed ik vooral ten behoeve van de later dit jaar te verschijnen biografie Jan Bom - dammer, een uitgave die onder redactie staat van voormalig FMJD-voorzitter Wouter van Beek (die óók Boms schoonzoon is) en ondergetekende, maar waaraan onder meer ook door Boms generatiegenoot Piet Roozenburg wordt meegewerkt.

Bij die grondige revisie stuitte ik op veel, vaak mooie varianten, die mij soms tot geheel nieuwe inzichten brachten. In deze èn de volgende rubriek zal ik een tipje van de sluier trachten op te lichten.

Wiersma - Bom
(NK 1967)

1.32-28 20-24 2.34-30 18-23 3.30-25 23x32 4.37x28 13-18 5.41-37 17-21 6.37-32 21-26 7.40-34 26x37 8.42x31 11-17 9.46-41 17-22?! 10.28x17 12x21

Het afruilen van 28 lijkt contra-productief (zwart verzwakt zijn rechter vleugel, zonder dat de witte linker vleugel aan kracht inboet) en is derhalve aanvechtbaar. Desondanks zal Bom, die overigens in vrijwel al zijn andere half-open klassieke partijen wel degelijk om het vijandelijke centrum heen speelde (9...17-21 of 8...16-21 enz.), glansrijk in zijn strategische opzet slagen.

11.41-37 21-26 12.47-42 7-12 13.31-27 1-7 14.44-40 7-11 15.33-28 11-17 16.39-33 17-22?! 17.28x17 12x21

Gaat verder op het eenmaal ingeslagen pad.

18.33-28 8-12 19.43-39 12-17 20.37-31?

Deze fout doet de kansen keren. Na gewoon 20.39-33 9-13 21.34-30 enz. had wit voortreffelijk gestaan.

20...26x37 21.42x31 9-13 22.27-22

Dit zal niet Wiersma's bedoeling zijn geweest toen hij 20.37-31 speelde, anders had hij natuurlijk wel meteen 20.27-22 en 21.37-31 gedaan. Maar het is waar dat wit ook na 22.34-30 3-9(!!) tot 23.27-22 enz. had moeten overgaan, waarna hetzelfde soort spel als in de partij zou zijn ontstaan.

22...18x27 23.31x11 6x17! 24.36-31 13-18 25.31-27 2-8 26.39-33 8-13 27.34-30 4-9 28.50-44 18-22!

Zet de omsingeling van het witte centrum in.

29.27x18 13x22 30.44-39 3-8(?)

In eerdere publicaties gaf ik deze zet een uitroepteken, maar dat blijkt bij nadere beschouwing onterecht. Ofschoon 30...3-8 er veelbelovend uitziet (zwart rukt met 3 naar 12 op om de opstoot 21-27x27 te plaatsen), is de tekstzet niet de allersterkste. Waar het namelijk om gaat, is dat wit 21-27x27 kan verhinderen. En wanneer zwart dan verplicht wordt een opstelling met 12-18 in te nemen, blijkt - in veel varianten althans - dat schijf 9 beter op veld 3 had kunnen staan!

Daarom moest Bom mijns inziens 30...21-26! 31.48-42 9-13! doen. Waarom zwart dan in alle varianten gewonnen had gestaan, zal ik volgende week laten zien.

31.48-42 8-12 32.42-37(?)

Maar hierna staat wit opnieuw verloren, en een herkansing zal hij ditmaal niet krijgen. Wiersma hàd 32.39-34(!) moeten spelen. Besluit zwart ook dan tot 32...21-27 33.32x21 16x27, dan komt er na 34.25-20! 14x25 35.38-32 27x47 36.49-44!! (maar in plaats hiervan niet 36.49-43?; men ga dit na) 36...47x29 37.34x3 22x33 38.30x19 33-39 39.44x33 10-14 40.19x10 5x14 41.3x20 25x14 (41...15x24 42.33-29! enz. =) 42.33-28 17-21 43.28-22 21-26 44.40-34 een 4x4 eindspel op het bord dat niet meer te winnen is.

Dit betekent dus dat zwart uitsluitend met 32...12-18 of 32...21-26 voluit op winst kan blijven spelen. Maar in beide gevallen zou de stand nog (net) in evenwicht zijn geweest, zoals ik volgende week aannemelijk hoop te maken.

32...21-27! 33.32x21 16x27

Zie diagram



De beslissende overval. De manoeuvre 21-27x27 wordt primair gerechtvaardigd door de tactische wending 34.37-32 27-31 35.32-27 19-23!! +. Maar dat is nog lang niet de giftigste pijl die Bom op zijn boog heeft...

34.49-43

Wiersma, die inmiddels begrepen moet hebben dat hij verloren stond (anders had hij wel 34.39-34 gedaan om het na de tekstzet eveneens winnende 34...12-18 uit te schakelen), probeert er nog het beste van te maken. Maar Bom negeert de extra-mogelijkheid die hij door 34.49-43 in de schoot geworpen krijgt en besluit de werkelijke pointe van het zwarte spel uit te serveren:

34...24-29!! 35.33x4 22x31

Schitterend gespeeld: de opgesloten witte dam wordt altijd uitgevangen, waarna zwart zèlf doorbreekt naar dam! De manier waarop Bom naar de winst afwikkelt, dwingt des te meer bewondering af wanneer men bedenkt dat een dergelijke wending noch eerder, noch later in de wedstrijdpraktijk was en is voorgekomen!

36.4-18!?

Alleen zo kan wit nog vechten, zij het tevergeefs. Kennelijk zag Wiersma zoëven (nog) minder heil in de wanhoopsactie 34.39-34 24-29!! 35.33x4 22x31 36.25-20!? 14x25 37.34-29!? 25x23 38.4-18. Inderdaad kan zwart dan op meerdere manieren door overmacht winnen, maar de stand bevat óók een scherpe eindspelwinst die hier niet onvermeld mag blijven:
38...15-20!! 39.18x4 17-21!! (nog sterker dan 39...31-36 enz.) 40.4-15 5-10 41.15x4 12-18 42.4x22 27x18 43.35-30 31-37 44.30-24 37-41 45.24-20 41-46 46.40-34 21-27 47.49-43 27-31 48.43-38 31-36 49.20-15 (op 49.34-29 kan zowel 49...36-41 + als 49...46-37 50.20-15 36-41 51.38-32 37x40!! +) 49...46-5 50.34-29 36-41 51.29-23 5x43! (maar niet 51...5x49? wegens 52.45-40! 49x35 53.15-10 =) 52.15-10 43-27! en wit kan het opgeven!

36...12x23 37.25-20 14x34 38.40x18 10-14!

Om de partij op 39.18-13 middels het tegenoffer 39...14-19! 40.13x24 5-10! te beslissen.

39.35-30 31-36 40.30-24 36-41 41.18-13 41-47

Nog efficiënter (èn fraaier!) was 41...15-20(!!) 42.24x15 41-47!, waarna wit de dreiging 43...47-24 + niet met 43.13-8 kan pareren wegens 43...5-10!! +. Maar veel doet het er niet meer toe, daar zwart inmiddels huizenhoog gewonnen staat.

42.24-19 14x23 43.13-8 23-28 44.8-2 28-32 45.39-34 32-37

Zonder vrees voor de damvangst 46.43-38.

46.2-8 17-22 47.8-2 22-28

Idem.

48.2-11 28-32

In hevige tijdnood overzien beiden dat zwart de partij met 48...47-24 direct kon uitmaken.

49.11-2 27-31

Behalve met een substantiële materiële achterstand ziet de witspeler zich nu ook met de dreiging van drie of zelfs vier vijandelijke dammen geconfronteerd. Wiersma gaf het dan ook op.
 Gewijzigd op 03-09-2021.
Ton Sijbrands, 2 juni 2001

Wiersma - Bom '67 bron van inspiratie

Vorige week kondigde ik al aan dat ik de kritieke fase van het legendarische duel dat wijlen Jan Bom in het Nederlands kampioenschap 1967 van Harm Wiersma won, nog eenmaal met u wou doornemen. Daarbij dient de eerste diagramstand als vertrekpunt. 

Zie diagram 1



Zo stond het na Wiersma's 30ste zet 44-39. Bom speelde 30...3-8 en zou slechts twee zetten later opnieuw, en ditmaal definitief, gewonnen komen te staan. Maar juist in die kortstondige fase tussen zwarts 30e en wits 32e zet, een fase die dus eigenlijk niet meer dan drie ply behelst, stond het heel even remise. Dat was althans wat ik vorige week beweerde en waarvoor ik hieronder de nodige bewijzen hoop aan te dragen.

Zoals gezegd had Bom, die mijns inziens wel degelijk een winnende centrumomsingeling in handen had, eerst 30...21-26! moeten spelen, om op 31.48-42 te vervolgen met 31...9-13! Ziehier wat er in dat geval onder (veel) meer had kunnen gebeuren:

1) 32.39-34(?) 14-20! gevolgd door 33...24-29! en 35...13-18 enz. met ruimschoots winnende dam op 47.

2) 32.49-43 13-18! 33.39-34 16-21! en nu een eerste vertakking:

2.1) 34.42-37(?) 21-27! 35.32x23 15-20/3-9 enz. met dam annex vernietigende rondslag.

2.2) 34.34-29 21-27!! (ook nu) 35.32x23 15-20! (een even chique als efficiënte tempozet) 36.28x17 19x37 37.30x19 14x34 38.40x29 37-41 39.25x14 10x19 en zwart wint moeiteloos door overmacht.

3) 32.40-34 13-18 33.34-29 3-9 34.29x20 15x24 en nu:

3.1) 35.49-43(?) 18-23! 36.42-37 14-20!! 37.25x3 24-29! 38.33x13 22x31 39.3x21 16x49 +.

3.2) 35.42-37 18-23 36.39-34 16-21! (het is waar dat zwart hier meerdere mogelijkheden heeft, waaronder de afwikkeling 36...14-20 en 37...24-29 enz.) 37.49-43 (37.34-29 23x34 38.30x39 9-13 +) 37...26-31!! 38.37x26 9-13 +.

3.3) 35.39-34 16-21 (deze positie heeft zich, maar dan met verwisselde kleuren en zònder stukken op 49 en 5, voorgedaan in de fraaie sneldampartij Tsjizjov-Koifman 1992; zie ook de Volkskrant van 17 oktober 1992) 36.34-29 10-15 37.29x20 15x24.

Zie diagram 2



Met de stand van het tweede diagram dient zich de laatste splitsing aan:

3.3.1) 38.42-37 18-23 39.49-43 26-31!! (weer deze offerwending) 40.37x26 9-13! 41.45-40 (de tactische tegenstoot 41.33-29 24x42 42.30-24, bekend van een competitiepartij Kuyken-Hooijberg 1975, faalt hier op 42...19x30! 43.28x8 42-48 +) 41...5-10! 42.40-34 10-15! en wit kan het opnieuw opgeven.

3.3.2) 38.49-43 (om op 26-31 terug te kunnen ruilen met 42-37x47) 38...5-10!! (subtiele temporisering) 39.45-40 22-27! (nu pas) 40.40-34 (40.42-37 18-23! 41.43-39* 27-31! enz. +) 40...26-31! 41.34-29 10-15 42.29x20 15x24 43.43-39 18-23 44.39-34 9-13! (het nauwkeurigst) 45.34-29 23x34 46.30x39 13-18! 47.39-34 18-23 48.34-30 (48.35-30 24x35 49.33-29 35-40 +) 48...31-36 49.42-37 27-31 50.37x26 36-41 en na bijvoorbeeld nog 51.28-22 17x37 52.26x17 41-47 kan wit zijn verzet staken.

3.3.3) 38.45-40 26-31! (zwart begeeft zich andermaal op weg naar het randveld 36) 39.40-34 31-36! (zonder vrees voor 40.34-29 36-41 41.29x20 9-13! 42.20x9 13x4 +) 40.42-37 5-10! (met de tactische pointe 41.34-29 10-15 42.29x20 15x24 43.28-23 19x39 44.30x10 9-14 45.10x19 18-23 46.19x28 22x31 +) 41.49-44 (op 41.49-43? volgt 41...21-27! met zowaar keuze tussen enerzijds 42...9-13 enz. + en anderzijds 42...10-15, 43...19x48 en 44...48x40!! enz. +) 41...10-15/21-26! 42.34-29 21-26/10-15! 43.29x20 15x24 44.44-39/40 18-23 45.39/40-34 9-13 46.32-27 (nog het beste) 46...23x43!! 47.27x29 43-48!

Ondanks een achterstand van twee schijven geeft het resterende eindspel nu geen problemen meer. Na 48.37-32 (want ook 48.25-20 48x31 49.33-28 verliest kansloos door 49...36-41 50.20-15 31-4 51.30-25 19-24! 52.29x20 41-46 +) 48...36-41 zou er immers nog kunnen volgen 49.33-28 41-46!! + (met als denkbare rondslagen 50.32-27 46x23 51.29x18 19-24 + dan wel 50.25-20 46-37! en 51...19-24 +; in plaats van damhalen op 46 echter onder geen beding 49...41-47? wegens 50.25-20!! en 51.30-25 =), of ook 49.32-27 41-47! (zonder vrees voor 50.33-28 47x15! 51.25-20 15x31/36 +) 50.27-21 19-23!! 51.21x12 23-28! 52.33x22 47x24!! 53.30x19 48x33 +.

Vanzelfsprekend zijn er nog veel meer mogelijkheden, maar de ruimte ontbreekt om die hier te behandelen. Ik neem echter aan dat de lezer zich inmiddels moeiteloos kan voorstellen dat zwart ook in alle andere varianten aan het langste eind trekt.

In de partij werd dus met 30...3-8(?) 31.48-42 8-12 vervolgd. Toen Wiersma daarop 32.42-37(?) speelde, stond Bom opnieuw - en ditmaal definitief - gewonnen. Wit hàd echter, zo schreef ik vorige week, 32.39-34(!) moeten doen. De inval 32...21-27 33.32x21 16x27 geeft dan slechts remise (34.25-20!, 35.38-32 en 36.49-44!! enz. =). Maar de resterende alternatieven lijken evenmin tot winst te leiden. Twee voorbeeldjes:

1) 32...12-18 33.42-37! 21-26 34.49-43! (wit stelt 34-29 net zo lang uit tot het zwarte stuk op 22 uit zijn sterke positie verdreven wordt) 34...16-21 35.34-29 (nu pas) 35...22-27 36.29x20 15x24 37.43-39 27-31 (ook 37...17-22 enz. levert niet meer dan een dynamisch evenwicht op) 38.39-34 31x42 39.38x47 en zwart heeft geen werkelijk voordeel meer, onder meer omdat 39...10-15?? uitgeschakeld is door 40.25-20! en 41.28-22 +.

2) 32...21-26 33.42-37! 16-21 34.49-44! (maar ditmaal niet 34.49-43? wegens 34...21-27!, 35...12-18 en 36...15-20 enz. +) 34...22-27 35.44-39 27-31 36.34-29 31x42 37.38x47 26-31 38.29x20 15x24.

Nu zou zwart na 39.39-34(?) 10-15! 40.34-29 15-20!! nog ongekend mooie winstkansen krijgen. (Voor een verdere uitwerking van deze en diverse andere spelgangen verwijs ik bij voorbaat naar de vorige week aangekondigde biografie Jan Bom - dammer.) Maar wit kan zich nog bijtijds in veiligheid brengen door met 39.28-23!!, 40.30x19, 41.47-42, 42.35-30 en 43.40x7 naar een 6x5 eindspel af te wikkelen.

Ter afsluiting van de twee rubrieken gewijd aan Wiersma-Bom 1967, geef ik nog eenmaal het indrukwekkende slot van deze partij:

32...21-27! 33.32x21 16x27 34.49-43 24-29!! 35.33x4 22x3136.4-18 12x23 37.25-20 14x34 38.40x18 10-14! 39.35-30 31-36 40.30-24 36-41 41.18-13 41-47 42.24-19 14x23 43.13-8 23-28 44.8-2 28-32

En na nog vijf zetten gaf wit het op.

Een prachtige winst. - ik kan het niet vaak genoeg herhalen. En de beste reclame voor het half-open klassiek die men zich maar denken kan! Het kan dan ook nauwelijks toeval zijn dat Harm Wiersma, Boms 'slachtoffer' in bovenstaand duel, slechts twee maanden later de door Bom gepropageerde speelwijze in zijn eigen wapenarsenaal opnam (zie Wiersma's partij tegen Koeperman uit het Brinta-toernooi 1967), om er vervolgens een (dam-)leven lang aan trouw te blijven!
 Gewijzigd op 03-09-2021.
maart 1967
Ton Sijbrands, 4 november 1995

De aanstekelijke speelstijl van Bom 

Met een groot feest in zijn woonplaats IJsselstein vierde Jan Bom, de kampioen van 1941 en inmiddels de enige topspeler die de vooroorlogse periode nog actief heeft meegemaakt, de afgelopen week zijn tachtigste verjaardag. Reden genoeg dus om even stil te staan bij een carrière die tot de langste uit de damgeschiedenis behoort (Bom debuteerde al in 1935 in het NK en speelde zowel in 1938 als in 1939 een korte match met de toenmalige wereldkampioen Raichenbach!) en die nog steeds niet is beëindigd.  

Dat wil zeggen: sinds 1969, het jaar waarin hij voor de 23e en laatste maal aan het NK deelnam, komt Bom niet meer in persoonlijke wedstrijden uit. Maar in de clubcompetitie draait hij, als eerste tiental-speler van het Utrechtse Ons Genoegen, nog volop mee. En voor sommige hedendaagse topspelers fungeert Bom, die al in de jaren veertig, vijftig menige trainingspartij met de toenmalige wereldkampioen Roozenburg schijnt te hebben gespeeld (waar o waar blijven de desbetreffende partijnotaties, heren?), nog altijd als een dankbare sparring partner

Zuiver sportief bezien vormde de in 1941 behaalde nationale titel het grootste succes uit Boms loopbaan. Toch geloof ik dat Bom zijn speltechnische hoogtepunt pas in de jaren vijftig en (vooral) zestig bereikte. In elk geval waren het zijn partijen uit dìe periode die destijds op mij, als opkomend talentje, de meeste indruk maakten. 

Zo ging alleen al van Boms behandeling van het gesloten klassieke spelgenre een zekere esthetische mededeling uit . Maar bovenal werd de jongere garde door de partijen van Bom aangezet tot bestudering van het half-open klassiek, het omsingelingssysteem waarvan Bom, mèt Roozenburg en Wim de Jong, de grote propagandist was! 

Het is niet eenvoudig een keuze te maken uit een oeuvre dat zo veelomvattend is. Desondanks hoop ik dat de hieronder geselecteerde partijen een enigszins representatief zijn voor de interessante, ja aanstekelijke speelstijl die Jan Bom er op na placht èn pleegt te houden... 

De eerste partij werd gespeeld in de slotronde van het NK 1954. Bom werd uiteindelijk tweede achter Roozenburg. 

Roozenburg - Bom 
(NK 1954) 

1.33-28 18-23 2.31-27 17-21 3.36-31 21-26 4.41-36 12-18 5.39-33 7-12 6.44-39 20-24 7.49-44 14-20 8.27-22 18x27 9.31x22 

Voor Roozenburg was dit haast een standaard-variant: hij speelde onder meer zo tegen Keller (1946), Ghestem (1947) en Van der Staaij (1948). In al die gevallen gingen zijn tegenstanders met 9...1-7 verder, maar Bom pakt de zaken energieker aan: 

9...12-18! 10.37-31 26x37 11.42x31 18x27 12.31x22 24-29! 13.33x24 20x29 

Misschien zou het overdreven zijn om van de weerlegging van het witte openingsspel te spreken, maar zeker is dat van de beide voorposten die van wìt veruit het meeste gevaar loopt. In de partijen Sijbrands - Van Dijk 1967 en Kuyken - Agafonow 1969 zou dit thema met verwisselde kleuren terugkeren. 

14.47-42 1-7 15.34-30 10-14 16.46-41 4-10! 

Gespeeld ter voorbereiding van 17...7-12 of 17...8-12, welke zetten op dit moment nog niet goed speelbaar waren. 

17.41-37 8-12 18.39-34 

Inderdaad de enige manier om de dreigende aanval op 22 een halt toe roepen. 

18...2-8 19.44-39 16-21 20.30-25 11-16 21.34-30 21-26 22.39-34? 

Hierna staat wit weinig minder dan een strategisch fiasco te wachten. Daarom had hij hoe dan ook met 22.40-34 moeten ruilen. 

22...15-20! 23.50-44 20-24 

De Ghestem-opstelling die zwart nu heeft ingenomen, is in hogere zin beslissend. 

24.44-39 7-11 25.39-33 12-17 26.37-31 26x37 27.42x31 10-15 28.43-39 8-12 29.31-26 16-21! 30.48-43 12-18 31.32-27 21x32 32.28x37 17x28 33.33x22 18x27 34.25-20 14x25 35.39-33 9-14 
Wit geeft het op. 

In het (dubbelrondige) toernooi om het wereldkampioenschap dat najaar 1960 in Nederland plaatsvond, slaagde Bom er bijna opnieuw in de houder van de hoogste titel een nederlaag toe brengen. Want in hun partij uit de eerste turnus werd Koeperman zowel positioneel als combinatief volkomen overspeeld. Een vreselijke fout van Bom zou de partij evenwel een dramatische wending geven... 

Bom - Koeperman 
(WK 1960) 

1.33-29 18-22 2.31-26 13-18 3.39-33 9-13 4.44-39 19-23 5.32-28 23x32 6.37x28 16-21 7.41-37 11-16 8.50-44 3-9 9.37-32 20-24 10.29x20 15x24 11.28-23!? 18x29 12.34x23 

Aan ondernemingszin heeft het Bom nooit ontbroken. Het soort omsingeling dat Koeperman er tegenover stelt, zal hardhandig schipbreuk lijden. 

12...13-18 13.39-34 18x29 14.34x23 10-15 15.40-34 14-20 16.34-29 7-11 

Laat de laatste gelegenheid tot 21-27x27 voorbijgaan. 

17.32-28 1-7 

En hier verdiende 9-13-18 mijns inziens de voorkeur. 

18.44-39 20-25 19.29x20 25x14 20.39-34 15-20 21.43-39 9-13 22.48-43 13-19 23.34-29 8-13 24.45-40 13-18 25.35-30 5-10 26.40-35 10-15 27.30-24 19x30 28.35x24 

Het zwarte tegenspel is hopeloos mislukt: wit heeft een oppermachtige aanvalsstand! 

28...2-8 29.39-34 21-27 30.46-41 16-21 31.41-37 11-16 32.37-32 8-13 33.43-39 13-19 34.24x13 18x9 35.42-37 20-24 36.29x20 15x24 37.23-18! 

Dit had de genadeklap moeten zijn: dank zij de kleine combinatie 37...22x13 38.36-31! en 39.28-22 + wint wit een volle schijf bij nog altijd superieure stelling! 

37...12x23 38.28x30 9-13 39.32-28 7-12 40.37-32 12-18 41.34-29 4-10 42.28-23?? 

Een jammerlijke fout die Bom liefst twee stukken èn twee punten zal kosten. Natuurlijk stond wit huizenhoog gewonnen. 

42...14-20! 43.23x12 17x8 44.26x28 20-25! 45.32x21 25x23 

Een merkwaardig moment. Volgens de destijds èn thans geldende spelregels had zwart natuurlijk 45...25x34 moeten slaan, maar Koeperman vergist zich. Desondanks zou de wereldkampioen de partij na 46.21-17 10-14 47.36-31 14-19 48.31-27 8-12 49.17x8 13x2 enz. winnen. Een verbijsterende ontknoping! 

Dat Bom op tactisch gebied wel degelijk uit de voeten kon, laat het volgende fragment zien. 

Zie diagram 

?

Zo stond het na 33 zetten in zijn partij tegen Ruud Palmer uit het NK 1966. Na 33...10-15? liet Bom een even fraaie als spectaculaire combinatie volgen: 

34.34-30!! 25x23 35.22-18! 13x22 36.33-29 22x24 37.44-40 35x33 38.42-38 33x31 39.36x9 

Een heuse zevenklapper! Tien zetten later zette wit ook het eindspel in winst om. 

Maar bij de jongere lezers zal Bom ongetwijfeld het bekendst zijn van de partij die hij in het NK 1967 van Harm Wiersma won. De half-open klassieke omsingeling die Bom in het middenspel van dit legendarische duel gestalte wist te geven, groeide binnen enkele zetten tot een ongekend succes uit. 

Wiersma - Bom 
(NK 1967) 

1.32-28 20-24 2.34-30 18-23 3.30-25 23x32 4.37x28 13-18 

De openingsvariant die zo karakteristiek is voor het half-open klassiek. Alleen al het bestand dat aan het computerprogramma Turbo Dambase is gekoppeld, telt ruim veertig(!) partijen waarin Bom zich - al dan niet met verwisselde kleuren - van deze variant bedient. 

5.41-37 17-21 6.37-32 21-26 7.40-34 26x37 8.42x31 11-17 9.46-41 17-22 10.28x17 12x21 11.41-37 21-26 12.47-42 7-12 13.31-27 1-7 14.44-40 7-11 15.33-28 11-17 16.39-33 17-22 17.28x17 12x21 18.33-28 8-12 19.43-39 12-17 20.37-31?! 26x37 21.42x31 9-13 22.27-22? 

Met zijn laatste twee zetten speelt wit zijn tegenstander ongewild in de kaart. 

22...18x27 23.31x11 6x17 24.36-31 13-18 25.31-27 2-8 26.39-33 8-13 27.34-30 4-9! 28.50-44 18-22! 29.27x18 13x22 30.44-39 3-8 31.48-42 8-12 32.42-37 21-27! 33.32x21 16x27! 

Met als voornaamste tactische rechtvaardiging 34.37-32 27-31 35.32-27 19-23!! +. 

34.49-43 24-29!! 35.33x4 22x31 

Ook 34...12-18 zou hebben gewonnen, maar dit is natuurlijk nog veel mooier. De witte dam wordt altijd uitgevangen, waarna een zwarte doorbraak onafwendbaar is. 

36.4-18 12x23 37.25-20 14x34 38.40x18 10-14(!) 39.35-30 31-36 40.30-24 36-41 41.18-13 41-47 42.24-19 14x23 43.13-8 23-28 44.8-2 28-32 45.39-34 32-37 46.2-8 17-22 47.8-2 22-28 48.2-11 28-32 49.11-2 27-31 
Wit geeft het op.