Toernooibase
HOME | LAATST INGEVOERD | RATINGS | TOERNOOIEN | ACTUEEL | PARTIJEN | POSITIES | LINKS |

   Nederlands Kampioenschap Vrouwen KNDB 1995

Toernooizaal


                                    Plaats opmerking      Embed Youtube-film      Embed Facebook-film      Terug naar toernooi      Info toernooizaal
 02-08-2020 Hanco Elenbaas:


AD, 24 september 1995

 01-08-2020 Hanco Elenbaas:

'Als je wilt winnen, moet je leren te verliezen'

Vrij Nederland-redacteur Gerard van Westerloo maakte een reeks opmerkelijke interviews over persoonlijke kwesties die mensen soms jarenlang bezighouden. Ze zijn nu - in een nieuwe bewerking - gebundeld in Sprekend ik (De Bezige Bij; f37,50), dat volgende week verschijnt....

DE  EEN: 'lk ben nu zover dat ik alleen nog maar kan verliezen. Wie me dat verlies wil toebrengen, die houd ik in de gaten. De laatste keer, oefff! Ze was er dichtbij'

De ander: 'In de beslissende partij ging het aardig. Ik had een opening voorbereid en ik kreeg precies op het bord wat ik wou. Ik stond ontzettend goed. En toen, in de tijdnoodfase, ik weet ook niet wat er gebeurde. Toen het erop aankwam, speelde ik die ene zet waarvan ik de hele tijd tegen mezelf gezegd had: die kan niet. Die moet je niet spelen. Het was meteen uit. De partij heeft nog een uur geduurd, maar dat was voor mezelf om het te verwerken.' De een woont in Vught, samen met haar vriend in een rijtjeshuis: Karen van Lith, negenentwintig jaar en al tien keer achter elkaar damkampioen van Nederland.
 

De ander woont in Emmen, samen met haar vriend in een rijtjeshuis: Erna Wanders, vijfentwintig jaar en heel vaak, als Karen won, tweede geworden.

De laatste keer spande het erom. Eén ronde voor het einde van het toernooi stond de eeuwige tweede een punt vóór op de eeuwige kampioen. Een krantenkop riep al: 'Karen van Lith kansloos voor titel.' Maar in het stukje zelf stond dat het wel leek alsof het andersom was, alsof de kampioene een punt voor stond op de eeuwige tweede.

Karen van Lith: 'lk vond het heel vervelend toen het mis leek te gaan. De tiende keer kampioen van Nederland worden: dat is toch iets anders dan de negende. Als ik zou winnen, ging alles gewoon verder. Maar als ik zou verliezen, dan kwamen er vragen.'

Erna Wanders: 'Ik was er zó dichtbij! Het hele toernooi stond ik aan de leiding! Twee ronden voor het einde had ik twéé punten voor. En dan toch: wéér verloren. Weer tweede geworden. Bijna, dat woord kan ik niet meer horen. Zo - goed - als. Altijd bijna. Altijd zo - goed - als. Altijd gaat het mis op dat ene ogenblik waar het op aankomt.'

Karen van Lith was negentien jaar toen ze voor het eerst damkampioen van Nederland werd. Ze herinnert zich een fantastisch, een heerlijk gevoel. 'Je bent uitgelaten, prachtig. De eerste weken leef je in een roes. Ik! Ik ben ergens de beste van Nederland in! Op school, thuis, een feest was het. De tweede keer is ook heel leuk: zie je wel, het was geen toeval. Ik ben gewoon de beste. Het is niet zomaar één keer, het is twéé keer. De derde keer ben je pas echt zeker. Daarna ben je degene die op de troon zit. Dan komt het erop neer dat jij daar wil blijven en dat de anderen je eraf willen stoten.'

Erna Wanders: 'Toen ik nog heel jong was en voor de eerste keer gedeeld tweede werd: toen was ik door de dolle! Daarna is het nooit meer echt leuk geworden: altijd maar tweede, dat gaat vervelen. Als je zelf denkt: ik ben zwakker, dan heb je er vrede mee. Maar dat denk ik niet. Laat ik het zo zeggen: ik vind mezelf niet minder dan Karen. Eigenlijk vind ik dat we even sterk zijn. Kijk maar naar de onderlinge resultaten. Ik heb twee keer van haar gewonnen. En dat was echt dat ze, zeg maar, ingemaakt werd. Ze had geen schijn van kans. Dan denk ik: als je zó van iemand kan winnen, dan weet ik het niet. Dan weet ik niet of er wel niveauverschil is.'

Tijdens zo'n damtoernooi om het kampioenschap van Nederland logeren alle tien deelneemsters bij elkaar in een hotel. Of ze willen of niet, ze treffen elkaar bij het ontbijt, bij het middagmaal, 's avonds in de bar.

'Je ontloopt elkaar zoveel mogelijk', zegt Erna Wanders. 'De laatste keer ben ik niet in dat hotel gegaan. Ik ben gaan logeren bij een vriendin die in de buurt woont.'

'Niet slim van haar', zegt Karen. 'Vinden de anderen niet leuk.'

'Inderdaad', zegt Erna Wanders met een lichtrode blos. 'Die vriendin bij wie ik ben gaan logeren, dat was Petra Polman. Voor dat toernooi heeft ze speciaal vrijaf genomen van haar werk. Om samen met mij de partijen voor te bereiden. Ze wilde zó graag dat ik won. Petra heeft me op zitten jutten, tot en met. Het ontbrak er nog maar aan dat Petra met een groot spandoek in de speelzaal verscheen. 'Hup Erna! Versla Karen' '

Karen van Lith: 'In het jaar dat Polman won, zag een kennis van mijn moeder me achter het bord zitten. Hij zei: 'Ga je mee hardlopen?' Hij was fysiotherapeut, hij trainde hockeyers, een man van een jaar of dertig. Hij kon niet dammen, maar hij kende wel de sport. Hij zei: 'Je moet zelfvertrouwen krijgen.' In het begin had ik totaal geen conditie. We deden duurlopen, tijdlopen. Het ging steeds beter. Drie komma zeven kilometer. Ik deed er dertien minuten over, dat werd twaalf, dat werd elf komma dertig. Vlak voor het volgende toernooi liep ik elf komma vijftien. 'Zie je wel', zei die man, 'zie je wel dat je het kan. Denk daar nou aan als je achter het bord zit. Als het spannend wordt, dan denk je: elf komma vijftien. Ik kan het.' Tijdens een toernooi belde ik elke ochtend die man op. 'Je speelt om te winnen', zei hij dan. 'Sowieso. Je kan het. Denk er maar aan. Elf komma vijftien. Je kan afzien' Het kon me eigenlijk niet schelen wat hij zei. Als hij maar iets zei.

Dat jaar won ik.'

De telefoon gaat. Die avond moet Erna Wanders tegen Delia Verhoef spelen om uit te maken wie van hen met Karen van Lith mee mag naar het wereldkampioenschap in Mali.

Het is, meldt de telefoon, remise geworden.

Wat zou ze gedaan hebben als een van de twee had gewonnen? Haar opbellen? Feliciteren? Een bloemetje sturen?

'Nee', zegt ze beslist. 'Natuurlijk niet. Je bent geen vriendinnen. Je bent concurrenten.'

Erna Wanders: 'Zo'n laatste ronde kom je in een psychologische toestand, dat je, ik weet niet hoe dat komt, ineens niet meer in jezelf gaat geloven. Ik had het hele toernooi bovenaan gestaan, dus ik had iets van: het moet erin zitten en het zal erin zitten. Ik dacht, ik ga op winst spelen. Dan kan Karen doen wat ze wil, maar dan kan ze mij sowieso niet meer inhalen. Ik wilde ontzettend graag kampioen worden. Het ging heel goed. Ik voelde me goed, het was erg warm, maar daar had ik geen last van. Er komt een opening op het bord, ik wist: die is goed. Ik kwam zelfs erg goed te staan. Ton Sijbrands, die uitleg gaf, zei al tegen mijn vriend: 'Jan, het kampioenschap gaat dit jaar naar Emmen.' Ik stond zó ontzettend goed, het was enkel nog een kwestie van tijd. Ik was mijn zenuwen best wel de baas, toen nog wel. Ik ben van mijn tafel opgestaan en ik ben bij de anderen gaan kijken. Hester de Boer was al klaar, remise, dus die kon mij nooit meer inhalen. Ik ga bij Delia Verhoef kijken en ik zie dat ze heel erg slecht staat naar mijn mening. Ik denk: Delia wint dit nooit! Nu ga ik zeker fel op winst spelen. Ik wilde zo verschrikkelijk graag kampioen worden.

'Ik ga terug naar mijn bord. Ik doe een zet. Ineens klopt mijn stelling niet meer. Ik begin ontzettend aan mezelf te twijfelen, echt niet leuk meer. Daniella de Vos, mijn tegenstander in die ronde, maakt een combinatie. En ze wint.'

Karen van Lith: 'Het is allemaal heel psychologisch. Als je echt wil winnen, dan moet je eerst leren om te verliezen. Als je daar niet tegen kan, als je een verliespartij niet van je af kan zetten, als je er 's nachts van gaat liggen woelen: dan lukt het niet.'

Als ze nu een partij verliest, dan is haar vader de eerste die haar tegenstander een hand geeft. Gewoon sportief. Maar ook om zijn dochter te laten zien: je hebt verloren. Accepteer het. Volgende partij.

K AREN: 'Een paar jaar geleden ben ik naar de sportpsycholoog van het NOC gegaan, voor een wereldkampioenschap. Dan praat je over de momenten dat het nét niet lukt. De momenten dat je hart je in de keel gaat bonken. Daar kwam die Poolse uit naar voren. Een goede speelster, maar niet supergoed. Tegen haar speelde ik altijd remise. Steeds had ik een goede stelling en dan liet ik die net remise lopen. Ik was gewoon bang van die Poolse. Dat wordt dan iemand, ah, denk je, oh, die Poolse weer!

'Die man leerde me hoe ik zo'n wedstrijd rustig in kan gaan. Je moet ertegenover gaan zitten met het idee: het maakt niet uit wie daar tegenover mij zit. Je moet aan het bord denken en aan de schijven. Je moet zo iemand niet gaan zitten aankijken. Anders leg je jezelf een druk op die niet nodig is. Je kan zeggen: ik moet en ik zal en ik ga van die Poolse winnen. Als je dat doet, leg je er veel te veel druk op. Je kunt ook zeggen: ik ga vandaag sterk spelen, kan me niet schelen tegen wie. Het is maar net welk zinnetje je in je hoofd prent. Dat jaar won ik van die Poolse.'

De buitenstaander vond dat het toernooi waarin Karen voor de tiende keer kampioen werd, niet mooier kon. Tot het laatst lag alles open. Met nog een ronde te spelen stond Erna Wanders één punt voor op Karen van Lith en twee punten op Delia Verhoef. Als Erna won, was ze kampioen. Als ze verloor, kon Karen haar nog voorbij komen. Maar ook Delia Verhoef kon nog evenveel punten halen als Erna. Het ging natuurlijk om de titel. Maar het ging ook om Mali. De eerste twee mochten dat jaar naar Mali, naar het wereldkampioenschap dammen.

Erna Wanders: 'In 1991 ben ik het wereldkampioenschap op een rotmanier misgelopen. Ik werd dat jaar eerste, nou ja, gedeeld eerste. Samen met Karen. Toen gold nog die rotregel: bij gelijk eindigen wint de kampioen. Karen dus. Op het bord heeft ze dat jaar niet gewonnen! Die regel is intussen veranderd. Bij gelijk eindigen volgt nu een herkamp. Maar juist in dat jaar, in 1991, mocht alleen de kampioen naar het wereldkampioenschap!

'Ik wilde kampioen worden. En ik wilde naar Mali. Ik wilde allebei. Daarop is het misgelopen. Toen ik nog heel goed stond tegen Daniella, heb ik overwogen om remise aan te bieden. Ik ben er zeker van dat ze het op dát moment zou hebben aangenomen. Als ik het gedaan had, was ik nu kampioen geweest.

'Ik dacht: Delia staat slecht. Mali is zeker. Nu ga ik door. Ik deed een zet en het liep me uit de hand! Ik dacht: jammer. Maar ik heb Mali nog. Ik sta op. ik loop langs het bord van Delia die nog zit te spelen, en wat zie ik? Ze staat een schijf vóór! Op dat moment, ik kon wel, nou nee, op dat moment was ik echt mezelf niet meer. Ik ben naar buiten gegaan, ik heb wat rondgelopen, de spanning van dat hele toernooi kwam naar buiten. Er kwam iemand naar me toe. 'Erna', zegt hij, 'Delia heeft gewonnen.' Ik had het niet meer, ik moest huilen, ik wilde niemand meer zien, niemand meer spreken. Ik wilde naar huis. Ik was gedeeld eerste - niemand feliciteerde mij daarmee. Ze zagen ook wel dat ik dat niet op prijs zou stellen. Ik moest terug naar binnen: we moesten afspraken maken voor die herkamp. Het interesseerde me niet meer. Ik had er geen zin meer in om me opnieuw te gaan opladen. Ik kwam thuis en ik dacht: ik heb er genoeg van. Ik houd ermee op.'

Karen van Lith: 'Met Daniella de Vos, Erna's tegenstander in de 1aatste ronde, ben ik toevallig erg bevriend. Daniella speelde geen goed toernooi. Ze won die partij tegen Wanders wel. Ik denk dat Daniella voor Wanders is wat die Poolse voor mij is. Wanders speelde best goed. Maar ze kon het niet afmaken. Ze was diep teleurgesteld. Ze is meteen na die partij naar buiten gelopen en ze is gaan huilen. Nee, natuurlijk niet. Dan ga ik niet naar haar toe om haar te troosten.'

Na die laatste ronde bleek dat ze met hun drieën gelijk geëindigd waren: Karen, Erna en Delia. Ze moesten een herkamp spelen.

Karen van Lith: 'ln de herkamp heb ik duidelijk bewezen dat ik nog altijd de sterkste ben. Natuurlijk waren ze diep teleurgesteld. Ze moeten maar denken: ze krijgen hun kans nog wel. Maar ze moeten nog even wachten. Nog een jaar of dertig, denk ik. Zolang heb ik nog wel te gaan.'

Erna Wanders: 'In de herkamp speelde ik tegen Karen erg goed. Ik stond, dacht ik, gewonnen. En dan doe ik die ene zet waarvan ik me steeds had voorgehouden: die moet ik niet doen'

Erna Wanders zegt dat ze een stuk harder moet worden, psychologisch dan. En dat ze daar ook weer erg tegen opziet. Zo'n beslissend moment, dat valt uiteindelijk toch niet na te bootsen. Hoe kan een psycholoog er rekening mee houden dat je in die laatste beslissende ronde uitgerekend tegen Daniella de Vos moet spelen? Een zwakkere speelster dan zij, ongetwijfeld, maar: een goede vriendin van Karen van Lith. En: een angsttegenstander voor Wanders. Misschien had die psycholoog dát eruit gekregen. Dat ze veel sterker is dan Daniella. Maar dat ze altijd bang is voor haar. Altijd staat ze tegen Daniella beter, altijd loopt het toch weer uit op hooguit remise. Van Daniella de Vos, zegt ze, heeft ze nog nooit gewonnen!

Karen van Lith: 'Iemand voor wie je bang bent of iemand die heel sterk is, die moet je niet als persoon zien, die moet je anoniem maken. Iemand die zwakker is dan jij: die kan je best aankijken. Die kan je wel als persoon zien. Dan is het juist goed dat zij merkt dat jij een grote rust uitstraalt.'

Ze zit, zegt ze, zelf ook niet altijd als een ijsblok achter het bord. Het komt nog steeds voor dat haar hart haar in de keel klopt. Het gaat erom: kan je dat hanteren? Kan je het voor je tegenstander verborgen houden? En kan je je spel er niet door laten beïnvloeden?

Sinds ze onbetwist de beste is, zegt ze, spelen de anderen anders tegen haar, banger. Dat is wel prettig. Ze neemt de partij in de herkamp tegen Delia Verhoef als voorbeeld. Die speelde precies de zetten die zij, Karen van Lith, eerder in het toernooi gespeeld had tegen Hester de Boer. Verhoef dacht: dat werd remise. Het maakt haar onzeker als ik dat nu weer speel. Van Lith vond het een makkie. Ze wist dat ze in die partij tegen De Boer gewonnen gestaan had. En ze wist nu ook hoe ze had moeten winnen. Kat in het bakkie - een zege op de angst van de ander.

'Ik ben nu zover, ik speel juist graag onder druk. Ik speel het minst tegen zwakkeren. Ik heb de spanning nu juist nodig. Ik wil graag doorzetten. Ik ben niet iemand die gauw zal opgeven. Ik zal niet gauw remise aanbieden. Ik ga door. Ik wil winnen.'

E RNA WANDERS: 'Nadat ik van Karen verloor, moest ik nog tegen Verhoef om een plaats voor Mali. Ik speelde als een krant, ik kon geen plan bedenken. Ik dacht alsmaar: ik ben Mali aan het vergooien. Gelukkig werd het remise. Moesten we nog een keer spelen, een week later, in versneld tempo. Die week kon het me niks meer schelen. Dan maar niet naar Mali. Ik had het eigenlijk opgegeven. Op mijn werk ook, heel raar eigenlijk: die week was ik voor mijn omgeving eindelijk weer eens goed te spreken. Het was net alsof ik me helemaal ontspande. En juist toen, toen het niet meer moest en zou, juist toen ik op het onverschillige af ontspannen achter het bord ging zitten, juist toen won ik de beslissende wedstrijd glansrijk.' (. . .)

Karen van Lith: 'lk heb bewezen dat ik de sterkste ben, sterker dan Verhoef en Wanders. Als ik verloren had, dan zou ik zeer zeker zijn doorgegaan. Ik gun het ze eigenlijk niet om mij te onttronen. Ik wil als kampioen afscheid nemen.'

Erna Wanders: 'Ik zit er al jaren tegen aan te boksen. Ik wil een keer, ik zal een keer, ik moet een keer kampioen worden. Volgend jaar. Probeer ik het weer. Ik wil zeker niet dat Karen als kampioen afscheid neemt. Dat ze niet meer meedoet en dat ik dán de titel win. Zelfs als ik dan win met tien punten voorsprong op de rest, dan nog zal de hele damwereld zeggen: ja, maar dat komt, Karen van Lith was er niet bij. Ik wil háár verslaan.'